Showing posts with label natuur. Show all posts
Showing posts with label natuur. Show all posts

Tuesday, July 3, 2007

Sierra De Órganos: John Wayne Country


Of Marlboro Country, zou je het ook kunnen noemen. De naam van het nationale park is gebaseerd op de rotsformaties, welke lijken op orgelpijpen. Om iets in andere formaties en rotsblokken te zien heb je een flinke dosis fantasie nodig, hoewel dit de Mexicanen er niet van weerhoudt om ze Katholieke benamingen te geven. Zoals 'El Papa' en 'Los Frailes'.

De normaliter heldere, blauwe lucht (even niet toen wij er waren) en woestijnachtige omgeving maakte dit park tot een ideale set voor diverse westenfilms. The Cisco Kid, The Guns of San Sebastian en The Sons of Katie Elder zijn een aantal van de ruim veertig films die hier geschoten zijn.
Sinds 2000 is het gebied officieel een Nationaal park. Er is een klein toeristencentrum en er zijn zeven cabanas. John Wayne heeft hier een aantal keer een film opgenomen en was zo onder de indruk van de omgeving dat hij BBQspots gedoneerd heeft. Hij hoopte zo meer mensen de kans te geven om te genieten van de natuur onder het genot van een zelf gegrilde cheeseburger. Of het verstandig is om te gaan BBQen in een gortdroge, winderige omgeving laten we voor het gemak even buiten beschouwing. Je vindt her en der in het park. Dit is er dan één:
Als je van plan bent om langer te blijven is het een idee om eerst het plaatsje Sombrerete bezoeken. In La Casa de Usted (Hidalgo 321) kun je vragen naar Luis Martínez. Hij heeft het gebied meer dan vijftig jaar lang verkend en in kaart gebracht. Tevens heeft hij de meeste benamingen van de formaties bedacht. Tijdens de volle maan in oktober organiseert hij nog altijd tripjes het park in.

Friday, June 8, 2007

Saturday, April 21, 2007

The Garden of Cosmic Speculation

Ofwel, één van de bijzonderste tuinen van de 21ste eeuw. Charles Jencks gebruikt zijn tuin voor zijn zoektocht naar antwoorden op de meest intrigerende vraag van allemaal: wat is de reden van ons bestaan?
Deze vraag voert Jencks voorbij schoonheid naar vorm en functie, hij ontwerpt het landschap en beschrijft hiermee over onze connectie met elkaar, onszelf, de natuur en het universum.
Hij combineert traditionele en moderne filosofieën omtrent natuur en wetenschap met sculpturen, architectuur en landschap.

Een citaat van Charles:
“when we began the garden I was not concerned with the larger issues of the cosmos. But over the years they came more and more to the fore and I have used them as a spur to think about nature and to contemplate and speculate on the origins of the universe. And in that respect this garden is part of a long historical tradition. Japanese Zen gardens, Persian paradise gardens, the English and French Renaissance gardens played out the story of the cosmos as itwas understood then. So the idea of the garden as a microcosm of the universe is quite a familiar one. In fact I feel it is the most compelling motive to create a garden. What is a garden if not a celebration of our place in the universe?”.

Nu heb ik het boek thuis (garden of cosmic speculation, charles jencks), dus eigenlijk heb ik het allemaal al kunnen bekijken en gelezen maar toch..., ik zou er wel heen willen. Dat kan maar een aantal dagen per jaar helaas.

Monday, April 16, 2007

Sterren, sterren, sterren


Night sky, originally uploaded by coda.

Ik zat gisteravond buiten op mijn balkon en moest denken aan de Malediven. Jaren terug ben ik daar 2 weken op vakantie geweest. En wat blijft nu het meest hangen? Het mooie strand of de zee? Het lekkere eten? De vlucht met een watervliegtuig naar het eiland? Het relaxen of de luxe van een eigen bungalow op het strand?

Nee, vreemd genoeg niet. Wat mij het meeste is bijgebleven zijn de warme nachten waarin ik op een ligstoel naar de hemel heb liggen kijken.
Een heelal zonder lichtvervuiling, met sterren, heel veel sterren en een mooie heldere maan.
Fasinerend elke avond opnieuw.

Bovenstaande foto is door coda genomen in Afrika en als ik er naar kijk dan voel ik de rust van de Malediven weer. De stilte. De nacht. De nacht die niet donker was.

Sunday, April 15, 2007

Op safari in Zuid Oost India



Het is maar een paar uur rijden vanaf Bangalore en dan vind je een aantal wildreservaten in de binnenlanden van India.
Tijdens een vakantie van drie weken kozen wij voor de Kabini River Lodge. De ligging, aan de zuidelijke rand van het Nagarhole National Park. Het was ooit de jachtlodge van de Sultan van Mysore, maar vandaag de dag kun je er overnachten in een huisje of een safaritent. Kabini staat bekend als olifantenland en daarnaast loop je de kans om (o.a.) wilde varkens, honden, aapjes, en herten te zien. Als je echt heel veel mazzel hebt zelfs een tijger of panter.
Het pakket is all-in en je kunt kiezen uit diverse activiteiten. Wij hebben een jeepsafari en een boottocht gemaakt in een kleine ronde boot, ook wel een coracle genoemd. Deze boten worden met de hand gemaakt van bamboo en buffalohuid. De foto zie je bovenaan. Het was 's ochtends vroeg en om ons heen kwam de jungle tot leven. Het is wel belangrijk om een beetje stil te zitten want echt stabiel is het bootje niet. Al bobberend en peddelend schuift het bootje, langzaam ronddraaiend, over het water. Erg leuk!
Tijdens de jeepsafari hebben we inderdaad veel wilde olifanten gezien, waaronder deze. En zoals je boven ziet onder andere een wilde hond en een hert bij zonsondergang. De tijgers en panters zijn zeldzaam en die hebben we helaas niet gezien. Wél hebben we de uitwerpselen van een tijger kunnen aanschouwen, die volgens de ranger nog redelijk vers waren. Zelf hebben we dat niet gechecked dus ik kan daar weinig details over verstrekken. We hebben nog wat pootafdrukken gevolgd, maar het beest had zich goed verstopt!
Het angstaanjagend hoogtepunt van ons verblijf was trouwens een enorme harige spin die ons 's avonds in de tent opwachtte. Zelfs vriend R vond het een enorm gevaarte. Met zijn kralige zwarte oogjes keek de spin ons boosaardig aan. Terwijl ik bovenop het bed stond te springen heeft R de spin gevangen en voelde ik me ineens niet zo avontuurlijk meer.
De Kabini River Lodge is een kleinschalig kamp, dus als je daar op safari gaat rijden er weinig jeeps door het gebied. Elke ranger heeft zijn eigen route en wil meer dieren spotten dan zijn collega's dus er wordt af en toe flink op het gas getrapt. Na de safari spraken we mensen uit een andere jeep en die hadden veel minder dieren gezien dan wij, dus een beetje mazzel is wel vereist.
Meer foto's van begluurde dieren vind je hier en dit is de website waar meer informatie te vinden is.

Saturday, April 14, 2007

De hoogste terp van Nederland!


In het buitenland doen we altijd ons best om alle highlights te bezoeken, dus besloten we dat we dat dan in Nederland ook maar eens moesten doen.
Vandaar het bezoek aan Hogebeintum. Hier bevind zich de hoogste terp van Nederland.
Een exemplaar van 8,8 meter hoog. Waarom deze terp zo hoog moest zijn is niet helemaal duidelijk, want met de helft van de inspanning hadden de Friezen het water ook wel buiten de deur gehouden. Althans dat hebben we ons laten vertellen. Hoe dan ook: we zijn er toch maar mooi geweest!

Ik heb deze foto ook op Flickr geupload en... nou ja, buitenlanders zijn toch niet allemaal onder de indruk van de boute prestatie van onze woeste noorderlingen vrees ik.

De tulpenvelden van Flevoland


Omdat het gewoon een geweldige foto is van het liefste kereltje in Nederland. Mijn schoonzus heeft de foto gemaakt, dus ik kan de eer niet opstrijken, maar... is het niet net of hij daar hoort te zitten? Hij kleurt zo mooi bij het landschap!
Dit is mijn neefje, Mehdi.

Friday, April 13, 2007

Wolwedans, Namibië


Even een beetje fantaseren. Ik ben nogal een luxedier. Stiekem hoor, maar toch. Ik wil heel graag een keer naar Namibië. De woestijn blijft voor mij één van de meest fascinerende omgevingen. Het harde klimaat, de uitgestrekte verlatenheid. Dat, in combinatie met een safari in Etosha, kan niets anders dan een onvergetelijke reis opleveren. Toen stuitte ik op Wolwedans. En Wolwedans is duur.

Wolwedans ligt in het hart van het Namid Rand reserve, verspreid over het terrein vind je een tentenkamp en luxere cabins. 's Ochtends worden de wanden opgerold en krijg je een ontbijtje op bed. En dan begint een dag genieten van het landschap.

Maarja... voor 2 nachten ben je samen wel zo'n 1000,- euro kwijt...

Misschien iets leuks voor een huwelijksreis?

Hoe dan ook het betekend sparen!
En voorlopig lekker doordromen, das helemaal niet erg, op een zonnige dag, als het weekend begint.

Thursday, April 12, 2007

Copper Canyon, Mexico



Zomaar een dag in januari. Vanuit Los Mochis stappen we op de trein richting Chihuahua. The Copper Canyon (Barranca del Cobre) staat bekend als één van de mooiste ritten ter wereld.
Het spoor beslaat een afstand van 650 kilometer, onderweg loopt het spoor over 37 bruggen en door 86 tunnels. Een rechtstreekse, enkele reis neemt ongeveer 16 uur in beslag.
We zijn van plan om ergens op de helft van het traject uit stappen om een trekking te maken door de canyon.

Donderwolken

Vauit Los Mochis begint de reis over vlak land. Eigenlijk doen de koeien in de graslanden een beetje Nederlands aan. Na een uur doemen de bergen in de verte op en langzaam kruipt de trein er naartoe. Naarmate we dichterbij komen, krijgen we ook een steeds duidelijker zicht op de donkergrijze stapelwolken die boven de bergketen hangen. Wij maken ons nergens druk om, het zonnetje schijnt en ach, wolken blijven wel vaker samengepakt om een bergketen hangen toch?

Van de druppel in de regen

Bergketens, steile rotswanden, rivieren en watervallen. Het enige wat je deze rit hoeft te doen is lekker uit het raam staren. Naarmate we verder omhoog klimmen, begint de temperatuur te dalen en de wolken gaan er steeds dreigender uitzien.
Om een lang verhaal kort te houden: het begon eerst keihard te regenen, waarna wij besloten wat verder door te reizen.
Toen de trein eenmaal over het hoogste punt heen was gebeurde het tegenovergestelde van wat wij verwacht hadden. Het begon te sneeuwen, te hagelen en te vriezen!
Als Nederlandse backpacker in Mexico verwacht je niet je winterkleding nodig te hebben dus het was bibberen geblazen in een fleecejack.

Mexicaanse gastvrijheid

Onze Mexicaanse medepassagiers waren echt super! Een aantal mannen liep een rondje door de trein en kwam terug met 2 warme bomberjacks. Het was buiten al donker en we zouden midden in de nacht pas aankomen in Chihuahua. Jorge, één van deze mannen nodigde ons bij hem thuis uit en we hebben er 2 dagen gelogeerd.

Achteraf hoorden we dat er die nacht veel vee en een aantal mensen waren doodgevroren in het gebied. Wij waren er niet op het beste moment van het jaar, maar bijvoorbeeld in combinatie met een reis door Baja California zie je echt een prachtig stukje Mexico. Bij voorkeur niet in de winter dus! Ik ga zelf zeker nog eens terug buiten het winterseizoen, want die trekking staat nog altijd op mijn lijstje :-)

Hier tref je meer info.




Monday, April 9, 2007

Ergens, in het Hart van Yucatán, Mexico, deel 2




Vanaf de grot is het ongeveer een half uur rijden naar het plaatsje Cuzama. Onderweg zie ik traditionele Maya nederzettingen in het dorre landschap van Yucatán. Simpele woningen, meestal ovaal van vorm, met een houten constructie en muren van lange slanke takken. De daken bestaan uit gedroogd riet. Yucatán is bedekt met tropische wouden, maar op dit moment, eind maart, is de bovenlaag gortdroog. Het maakt het landschap een beetje eentonig en doods. Onder deze laag echter, stroomt een ondergronds netwerk van rivieren. Dit is ontstaan omdat de regen door de poreuze kalksteen sijpelt. Veel van de bomen in de omgeving hebben lange stevige wortels die naar deze rivieren toegegroeid zijn. Op plaatsen waar de kalksteenlaag ingestort is, zijn dolines ontstaan, cenote in het Spaans en dzonot in het Maya. Dit zijn diepe groenkleurige poelen of ondiepe turkooise meertjes. De staat Yucatán alleen telt er al tweeduizend. Sommige zijn erg toeristisch, zoals de cenote Dzitnup bij Valladolid. Anderen zoals degenen waar ik nu naartoe ga, zijn voor de meesten onbekend.

In Cuzama ga ik opzoek naar Haciënda Chunkanàn, het staat nergens aangegeven en ik heb geen kaart, dus ik vraag het aan een groep mannen langs de weg. Een man met een fiets stelt zich voor als Mario Castro Tutzin. Hij blijkt de persoon te zijn die ik zocht. Om een tocht te maken naar drie afgelegen cenotes in het binnenland moet je naar de haciënda toe en Mario fungeert als gids. Enthousiast roept hij: ‘Volg mij!’ en zo gebeurd het dat ik in een langzaam tempo, over een B weg rijd in mijn gehuurde Chevy. Mario fietst voor mij uit terwijl hij met grote armbewegingen de richting aangeeft. Het halve dorp loopt uit om te kijken wat er aan de hand is. Mario, rood aangelopen en wild trappend, die achtervolgd wordt door een blanke vrouw in een auto. Als dat maar goed gaat! De cenotes zijn door het gebrek aan een weg maar op één manier te bereiken: met de “truck”. Als ik de auto ga parkeren zie ik Mario met een paard lopen dat hij voor een soort mijnwerkerskarretje van hout spant. Met paard en wagen zullen we over een gammel spoor een paar uur door de droge vegetatie trekken. Ik mag achterop de kar, op een kussen gaan zitten, terwijl Mario voorop de leidsels ter hand neemt.

Het is een ontspannen rit, ik hoor de hoeven van het paard tegen de stenen ondergrond, de vogels fluiten en de lucht is blauw. Om mij heen zie ik enkel bomen en taaie struiken. Al snel worden de tekenen van een orkaan zichtbaar die over het land is getrokken. Grote stukken van het woud zijn omver gewaaid en liggen bijna horizontaal tegen de grond. Na een paar kilometer bereiken we de eerste cenote, Celentun. Middels een steile, betonnen trap bereik ik de bodem, twintig meter lager. Van bovenaf valt door diverse gaten licht naar binnen. Het water is kristalhelder en laat diverse kleurschakeringen zien, van licht naar donker. Er hangen stalactieten aan het plafond en het zonlicht laat het water op de stenen wanden spiegelen. Volmaakte rust en eenvoud. En elke paar minuten is Mario er ook, boven aan de trap, om te kijken of ik nog leef. Met een zucht sta ik op en begin de klim naar boven.
Mario snelt voor mij uit en samen trekken we verder, na een paar honderd meter komen we een andere truck tegen. We stoppen en onze tegenliggers tillen de kar van het spoor zodat wij kunnen passeren. Drie toeristen praten nogal hard met elkaar en roepen naar mij: ‘The other two are even more beautiful and more adventurous too, you’ll see!’ Een paar kilometer verder stoppen we weer. We lopen een meter of vijftien over een pad naar een gat in de grond. Hieronder blijkt de cenote Chaksiikche liggen. Via een ladder klim ik door het donkere gat naar beneden. Hoewel deze cenote “slechts” op twaalf meter diepte ligt, lijkt het dieper vanwege de lange ladder. Uit veiligheidsoverwegingen staat Mario erop om voor mij de ladder af te dalen. In het midden valt een grote baan zonlicht naar beneden toe en verder is het vrij donker. Een streng van wortels van meer dan twaalf meter lang heeft zijn weg door het kalksteen gevonden. Het pak wortels heeft een omvang van meer dan een meter breed. Mario springt in het water met de mededeling dat ik nu getuige zal zijn van zijn indrukwekkende Tarzan pose en dat foto’s maken absoluut geen probleem vormt. Ik krijg de indruk dat het laatste meer een dringend verzoek is. Ik hoor een hoop gezucht en gesteun en na een paar minuten slingert Mario, in zijn rode zwembroek, een paar meter boven het water in de rondte. Geamuseerd maak ik een paar foto’s van hem en wacht geduldig tot de universele Tarzan brul volgt terwijl hij zich met een sierlijke boog in het water laat vallen. Als hij op de kant klimt, is het mijn beurt, hij zegt dat hij ook wel een paar foto’s maakt, terwijl ik een Jane imitatie doe. Lachend vertel ik hoe ik het er op school vanaf bracht met touwklimmen en dat ik geen ambitie heb in die richting. Hoewel dit hem een beetje teleurstelt, besluit hij toch de camera ter hand te nemen. Ik dobber al een tijdje rond tussen de kleine visjes in de cenote als de rust bruut verstoord wordt. Bovenaan de ladder hangt een dame die als een bezetene foto’s begint te maken en roept dat ik er prachtig uit zal zien in haar brochure. Ze begeleidt een vijftal Amerikanen en wil veel tours gaan organiseren in de omgeving. Ik had verwacht dat Mario direct weer in de wortels zou klimmen, maar hij kijkt me aan met een blik die zegt: ‘Rennen!’. We maken dat we wegkomen en klimmen snel naar boven om daar de Amerikanen aan te treffen die zich af vragen of de ladder wel veilig genoeg is. Naar hun mening kan er beter een stuk rots worden weggebroken om een trap aan te leggen.

Terug op de truck verteld Mario enerzijds blij te zijn met deze ontwikkelingen, maar anderzijds maakt hij zich zorgen over de cenotes en de omgeving. Hij kan zich niet voorstellen dat hier straks elke dag tientallen toeristen zullen komen en dat er een terras met hamburger tent midden in zijn woud zal staan. Gelukkig zal dat nog een hele tijd duren. De laatste cenote, Bolonchi ‘Ojool, moet ook weer via een gat in de grond en een ladder betreden worden. Deze ladder is bovenin nogal flexibel en wankel en na een paar treden zit ik klem. Het gat is zo smal dat mijn rugzak en ik samen te breed zijn. Ik pers me er doorheen en roep naar Mario dat hij zich bij deze cenote in ieder geval geen zorgen hoeft te maken over Amerikanen. De meesten zullen er niet in kunnen. Beneden is duidelijk te zien dat het plafond is ingestort, er ligt veel puin op de bodem. Er hangt een donkere, mysterieuze sfeer, maar ik wil niet te lang beneden blijven. De gedachte dat één van onze Amerikaanse achtervolgers misschien klem komt te zitten in het gat dat onze enige uitweg vormt trekt ons beiden niet zo aan.

Ergens, in het Hart van Yucatán, Mexico


Zwart, overal om mij heen. Ondoordringbaar. Mijn ogen zoeken wanhopig naar houvast. Tevergeefs. Het gebrek aan zicht roept een lichamelijke reactie op van angst. Al mijn spieren trekken samen en ik probeer me zo klein mogelijk te maken. Het lijkt oorverdovend stil. Tot ik ergens in de verte water in een plas hoor druppelen.

Drup drup drup. Kristalhelder.

Dan word ik me bewust van mijn eigen ademhaling, zwaar en jachtig. Alsof er duizend kilo steen op mijn borstkas rust en er geen ruimte is voor lucht. Even schroeit het in mijn longen, dan vecht het zich naar buiten. Zijn mijn longen gekrompen? Of is hier niet genoeg zuurstof? Het is zo benauwd en warm.
Door de hitte en spanning begint mijn hele lijf te transpireren.
In mijn nek, op mijn voorhoofd en langs mijn gezicht ontstaan kleine rivieren van vocht. Ze zoeken hun weg naar beneden. Langs mijn hals en sleutelbeenderen. Onder mijn oksels en tussen mijn borsten door. Via mijn ruggengraat sluipt het tussen mijn billen en langs mijn heupen. Langzaam maar zeker verzamelt het zich in mijn knieholten om daar even te rusten. Alsof een kom overstroomt breekt het even later weer door. Ik voel stroompjes over mijn onderbenen kruipen en vervolgens over mijn enkels.
Uiteindelijk verzamelt het zich in mijn schoenen.

Drup drup drup in de plas.
Drup drup drup in mijn schoenen.

Ik zit gevangen in een vacuüm en alles bestaat uit vloeistof.
Ik durf me niet te bewegen en voel me hulpeloos als een kind.
Er is niets in het donker, alleen ikzelf. Het is beangstigend. Ik ben gereduceerd tot enkel mijn gedachten. Ik kan mijn lichaam niet zien en het voelt alsof ik mijn identiteit verloren ben. Wat overblijft, is dat waar ik aan denk. Na de golven van angst en lichamelijke reactie voel ik me leeg en alleen. Ik kom er geleidelijk aan achter dat ik niets te vrezen heb in het donker, alleen mezelf. En dat die confrontatie zwaar is. Het vereist acceptatie en kracht. Het voelt alsof ik best bang mag zijn. Ik ben een mens met angsten. En met een verlangen naar licht. Ik verlang naar frisse lucht en ruimte.

Maar boven alles verlang ik op dit moment naar Baldomero Ku Ceh. Ik roep hem en hoor mijn stem galmen tegen het steen. De magie wordt verbroken en ben ik terug in de echte wereld, in een grot, in Yucatán, Mexico.
Ik zit op mijn hurken, drijfnat, te roepen om een vogelnestje. Baldomero is een Maya die zorg draagt voor de grotten van Tza Bnah. Letterlijk vertaalt betekend dit: “Het paleis van de koning”. Hij houdt alles in de gaten en verzorgd voor een paar Peso’s een rondleiding aan toeristen die af en toe hun weg weten te vinden naar de grot.
Zoals vaker het geval spreekt Baldomero vloeiend Maya en zeer gebrekkig Spaans. Dat laatste komt goed uit, want dat doe ik zelf ook. Hakkelend en met handen en voeten maken we ons verstaanbaar. Zo kwam ik er ook achter dat “Ku Ceh” letterlijk vertaald ”vogelnestje” betekend.
Ergens links van mij hoor ik hem reageren en ik zie langzaam een lichtje dichterbij komen.
Vrolijk lachend reikt hij mij één van de twee grote zaklantaarns aan. Opgelucht zet ik de lamp aan en een klein straaltje licht toont de grot weer. Groot is blijkbaar niet altijd beter, maar het karige licht geeft de ervaring iets mystieks. Het gevoel hier te zijn in deze wereld terwijl de tijd heeft stil gestaan. Het idee dat je naar buiten kunt lopen en een kijkje kunt nemen in Chichen Itza of één van de andere oude steden om te zien hoe ze gebouwd en bewoond werden. ‘Diez minutos!’, zegt hij trots, alsof het een hele prestatie is geweest. De Maya’s geloven dat een grot een toegangspoort is tot de onderwereld, of een andere realiteit. Een plek waar de goden vereerd werden en jonge mannen alleen in het donker werden gelaten om de confrontatie met hun angsten aan te gaan. Het is een manier om in je eigen ziel te kijken en er de confrontatie mee aan te gaan. Dat het een bijzonder krachtig middel is om zelfreflectie en zelfbeheersing op te roepen heb ik zojuist zelf kunnen ervaren.

We lopen verder door de grot. Baldomero verlicht met zijn lamp oude fossielen, diverse cenotes en bijzondere druipstenen. De Mexicaanse fantasie viert hier hoogtij.
Ik krijg Jezus en Maria te zien, Maria met het kindje Jezus in haar armen en alle heiligen die het Katholieke geloof te bieden heeft. Petrus blijkt samen met Boeddha in een hoekje van de grot te verblijven. Op weg naar buiten toe wordt het langzaam lichter en de lucht wordt koeler.
Vreemd genoeg voelt het naar buiten stappen, net zoals de Maya’s het omschrijven, als een hergeboorte. Klam en nat, met dichtgeknepen ogen vanwege het felle licht, sta ik in de zon.

Uruapan, Mexico



Stel je voor: Je bent boer en op een dag bewerk je je land. Het is 1943, je hebt het niet breed, maar dit land heeft er al jaren voor gezorgd dat je familie een redelijk leven kon leiden.

Je bent lekker aan het schoffelen, een beetje onkruid aan het verwijderen en je maakt af en toe een praatje met een voorbijganger. De dag verloopt als alle anderen, tot je vanuit je ooghoek de grond, jouw land, ineens omhoog ziet komen. Langzaam, maar zeker, ontstaat er een bult. De bult wordt groter en begint op een bergje te lijken. Wat doe je dan als Mexicaanse boer? In dit geval het volgende: Gooi je schoffel op de grond en ren naar de plek des onheils. Staar er vol onbegrip naar en probeer vervolgens de grond weer plat te stampen. Bij gebrek aan succes ga je er plat op je buik bovenop liggen in de hoop dat je de groeiende berg nog in toom kunt houden.

Helaas voor deze boer, inwoner van het dorp San Juan Parangaricutiro zou het alleen maar erger worden. In 1943 werd een nieuwe vulkaan geboren, Volcan Paricutin. Vandaag de dag is het een flinke jongen, van 2500 meter hoog.
Na zijn geboorte spuwde de vulkaan acht jaar lang lava en dwong vierduizend mensen tot evacuatie. Terwijl hun huizen langzaam onder de lava bedolven werden.

Vandaag de dag is alleen de top van de kerk nog zichtbaar. Vanuit Uruapan kun je een wandeling van tien kilometer maken door het gebied. Het is moeilijk om je voorstellen dat een man jaren terug dacht dit langzaam oprukkende natuurgeweld te bedwingen door er op te stampen. Dat de grond zou stoppen met rommelen als hij zijn lichaam er bovenop zou gooien.

Las Pozas, Mexico






Graaf in je geheugen, op zoek naar je kinderdromen, waarin je kon dwaalde door landschappen ala Dalí. Combineer dit met de beelden van de trappen van Esher. Plaats dit surrealistische beeld in de Mexicaanse jungle en je hebt een beeld gevormd van Las Pozas.

Naar mijn mening schieten woorden te kort en foto's al helemaal. De foto's die je hier ziet, zijn in 2003 genomen met een hele sechte trust camera, maar het geeft in ieder geval een idee.
Reisgidsen omschrijven Las Pozas vaak als de in verval geraakte droom van een exentrieke Engelse kunstenaar. Dat is waar, maar het is meer. Na vijftig jaar heeft de jungle de structuren opgenomen in de omgeving. Het eens zo kille beton is gastheer geworden voor mossen en klimplanten. Dit wekt ze tot leven en gaf mij de illusie dat de surrealistische wereld van Edward James nog altijd doorgroeit.
Het is als een pretpark zonder grenzen, trappen blijven doorlopen om uiteindelijk een kunstwerk te onthullen of te eindigen in niets. De vergezichten over het dak van de jungle zijn geweldig. De hoogtes om van te schrikken. Hier zijn geen hekken of beperkingen. Je kunt op de rand gaan staan en dertig meter naar beneden staren en je voelt je vrij. Ik voelde me als een klein meisje dat niet wilde ophouden met rondrennen en ontdekken.
Als je ooit in de buurt bent: ga er kijken. Als je de tijd hebt: vraag bij de ingang of de cabana midden in het park nog vrij is. Als de poorten sluiten en iedereen weg is, heb je het park voor jezelf en komt de jungle tot leven. In Xilitla, het nabijgelegen stadje vind je ook El Castillo. Dit is de toemalige woning van Edward James. Vandaag de dag is het een Bed & Breakfast en het vormt een prettige uitvalsbasis voor een dag Las Pozas.
Edward James heeft de grond van Las Pozas oorspronkelijk gekocht om zijn passie uit te leven: het kweken van orchideën. Toen een storm in één keer zijn hele werk vernietigde, besloot hij zich te richten op iets dat de tand des tijds kon doorstaan. Hij begon bloemen van beton in het landschap te plaatsen. Uiteindelijk heeft hij de waterval en de rivier gemanipuleerd, trappen aangelegd en diverse structuren gebouwd. Het is een droomwereld.